2016-06/rrf-bz-e-045 2016-06/rrf-bz-e-044

Er was eens...

Er was eens een kind dat zo bijzonder was, dat het bij de geboorte een eigen eiland meebracht. Het was een heerlijke plek, waarop niets te horen was dan het ruisen van de zee en het zingen van de wind. Omdat de jongen de enige bewoner was, was het bovendien een oase van rust. Alles ging zoals hij dat wilde, nooit gebeurde er iets onverwachts. Bezoek zag hij al van verre aankomen en wanneer hij daar geen zin in had, riep hij wind en water op om een dichte mist rond het eiland te leggen. Wie er niet in slaagde hem te bereiken, verdwaalde hopeloos.

Hoewel de jongen het heerlijk vond om op zijn eiland te zijn, ontdekte hij al snel dat er daarbuiten ook nog een wereld was. Die wereld was alles wat zijn eiland niet was. Chaos en lawaai, maar ook mensen die hem bij de hand pakten en hem hielpen ontdekken wat hij fijn vond en wat niet. Iedere ervaring die hij opdeed, bracht hij naar zijn eiland om hem zorgvuldig te bewaren. Zoals hij ook alles wat hij leerde goed opborg om het later in zijn eentje te kunnen bekijken. Het belangrijkste wat hij leerde, was misschien wel dat zijn eiland veilig was maar dat alle schatten die hij er verstopte uit de buitenwereld kwamen.

Toen de jongen ouder werd, besloten de mensen in de buitenwereld dat het tijd werd dat hij alleen ging lopen. De jongen vond dat niet erg, want hij had geleerd dat hij het kon. Blij stapte hij rond over de paden die hij eerder verkend had, voorzichtig deed hij nieuwe stappen in de hoop op mooie ontdekkingen. Tot hij op een dag ontdekte dat hij verdwaald was en dat hij in de verte wel een stem hoorde roepen maar geen idee had hoe hij die moest volgen. Zijn paniek was groot. Zo groot, dat het lang duurde voordat hij zijn eiland teruggevonden had. ‘Nooit meer’, bonkte zijn hart, ‘nooit meer’, terwijl de wind een dichte mist rond het eiland blies en zijn wereld kleiner maakte dan ooit tevoren. Heel even nog hoorde hij in de verte mensen roepen, daarna werd het stil. Windstil.

Hoewel het rond de jongen zo stil was dat hij nog geen zuchtje wind hoorde, was in de buitenwereld alles in beweging en wist iedereen precies wat er moest gebeuren om ook de jongen te bewegen en hem weer stappen in de wereld te laten zetten. Allemaal stonden ze hard te roepen op de oever die de mist van hun wereld scheidde. De een beloofde de jongen een prachtig geschenk als hij tevoorschijn zou komen en mee zou gaan, de ander zong een zielstrelend lied in de hoop hem van zijn eiland te lokken. Tot de wanhoop toesloeg en alles stilviel omdat niets leek te werken. Ontmoedigd keerde iedereen naar huis. Iedereen, behalve  één. Een vrouw met een hart waarin zoveel ruimte was dat alles erin paste en tijd geen rol speelde. Zij zette zich in stilte aan de oever van de mist en luisterde. Urenlang. De vrouw zat zo stil dat zij zelf nog geen zuchtje wind veroorzaakte en juist daardoor in staat was om te zien hoe een kleine flard zich uit de mist losmaakte en boven de oever begon te zweven als een verre gedachte die langzaam zichtbaar werd. Toen de vrouw in staat was de gedachte in haar ogen te vangen, stond ze op en opende haar hart om de zon te laten stralen en de mist te laten verdampen. Daarna liep ze naar de overkant, waar ze op de oever van het eiland ging zitten wachten terwijl haar hart licht en warmte straalde.  

De stilte op het eiland was zo groot dat de vrouw in staat was te voelen dat de jongen naast haar ging zitten en te horen hoe in haar hoofd haar grootvader sprak. Een steenhouwer die haar, toen ze nog jong was, vaak verteld had hoe hij de essentie van de steen naar buiten wist te brengen. ‘Ik verbind mij ermee, voel wat hij je te vertellen heeft, laat mij leiden door de steen en kies de materialen die hij nodig heeft. Ik ben de dienaar die hem mag helpen om zijn wezen aan het licht te brengen. Het is het mooiste werk en het grootste geschenk.’

Zoals haar grootvader zich had verbonden met de stenen waarmee hij werkte, verbond de vrouw zich met de jongen naast zich. Ze sloot oren en ogen om vanuit het diepst van haar wezen te kunnen luisteren naar het wezen van de jongen, te zien wie hij was en te luisteren naar zijn wensen. De jongen vond het heerlijk om naast haar te zitten, merkte dat hij zich langzaam veilig begon te voelen en zelfs weer begon te verlangen naar de buitenwereld. Langzaam stond hij op. En terwijl hij voelde hoe de vrouw naast hem bleef, zette hij voorzichtig een eerste stap. Zacht bewoog de vrouw met hem mee.   

Marlijn Nijboer voor Eduzon